Maandelijks archief: april 2026

Mo Yan 莫言, de kleine zwijger

In zijn laatste boek, 不被大风吹倒, Laat je niet omverblazen door de ruwe wind, vertelt Mo Yan het ontstaan van zijn schuilnaam.

Als kleine jongen ging Guan Moye 管谟业, °1955, Gaomi, provincie Shandong, niet naar school. Hij moest koeien hoeden.
Elke dag liet hij het vee in de weidse vlakte grazen. Hij begreep koeien beter dan mensen, hij kende hun vreugden en verdriet, hij begreep hun uitdrukkingen, wist wat ze dachten.
Hij wou met de koeien praten maar zij dachten slechts aan grazen. Ze sloegen geen acht op hem. Hij ging dan maar op het gras liggen en keek naar de hemel, naar de wolken die langzaam voorbijtrokken: ze leken wel grote luie mannen.
Hij wou met de wolken praten, maar ze negeerden hem.
Er vlogen veel vogels in de lucht, leeuweriken en andere vogels waarvan hij de naam niet kende. Hun gezang was zo mooi. Hij was er door ontroerd, tot tranen toe.
Hij wou met de vogels praten, maar ze hadden het te druk. Hij lag daar in het gras, zijn hart vol verdriet.


In zo’n omgeving leerde de schrijver zijn fantasie de vrije loop te laten. Hij was half in slaap, talloze prachtige gedachten stroomden binnen…
Zo leerde hij met zichzelf praten. Hij barstte van het talent, was welbespraakt, zelfs in perfecte rijm. Tot op een dag dat hij tegen een boom praatte. Zijn moeder hoorde het en vroeg aan haar man: “Schat, is er iets mis met ons kind?”
Toen hij volwassen werd, bezorgde zijn spraakzaamheid die hij had ontwikkeld tijdens het hoeden van vee, zijn ouders veel problemen. Zijn moeder smeekte hem wanhopig: “Kind, kan je alstublieft ophouden met praten?”
Hij was zo ontroerd door haar woorden dat de tranen hem in de ogen schoten. Hij zweerde nooit iets meer te zeggen.
Maar zodra hij voor anderen stond, stroomden de in zijn buik opgekropte woorden als een zwerm muizen uit zijn mond. Achteraf had hij spijt dat hij zijn moeder had teleurgesteld.

Toen hij aan zijn schrijverscarrière begon, nam hij een schuilnaam: Mo Yan 莫言, niet spreken, maar…hij kon zijn gewoonte niet veranderen, zijn woordenvloed niet inhouden. Daardoor beledigde hij vele mensen omdat zijn woorden onaangenaam of ongepast overkwamen.

Mo Yan zei onlangs: “Met ouder worden praat ik steeds minder. Zou de geest van mijn moeder in de hemel daarin troost kunnen vinden?”

 

LE SERPENT BLANC Feng Menglong

Na een zoektocht van meer dan twee jaar naar een vertaling van de de eerste tekst van De Witte Slang door Feng Menglong (1574-1646) vond ik toevallig deze rariteit in een antiquariaat in Rouen.

 

Feng Menglongs (1574-1646) versie van De Witte Slang, getiteld De Witte Slangvrouw voor eeuwig onderdrukt onder de Leifengpagode, is een van de oudste en meest invloedrijke geschreven versies van deze legende.
Gepubliceerd in 1624 in de verzameling Jing Shi Tong Yan (Algemene waarschuwingen om de wereld te ontwaken), verschilt het van meer geromantiseerde moderne bewerkingen door zijn meer donkere en moralistische kijk op de verbintenis tussen mens en demon.

Hierbij een korte inhoud van de legende.

Hangzhou: op een regenachtige dag nabij Xihu (Westmeer) leent een jonge kruidendokter, Xu Xuan, zijn paraplu aan Bai Niangzi.
Ze is gehuld in een witte jurk en wordt vergezeld door haar dienstmeid Xiao Qing.
Xu Xuan wordt door haar betoverd en trouwt met haar. Hij weet echter niet dat ze in werkelijkheid een duizend jaar oude witte slang in menselijke gedaante is.
Het kalme leventje van Xu Xuan wordt al snel overhoop gehaald door een reeks juridische problemen, door Bai Niangzi uitgelokt.
Zo steelt ze bijvoorbeeld mooie kleren voor haar man, die ze hem doet dragen om naar een tempelfeest te gaan; men herkent er zijn kleren als gestolen.
Ook steelt ze geld uit kluizen om haar man te verwennen…
De arme Xu Xuan wordt verschillende keren gearresteerd en verbannen. Hij vervloekt zijn vrouw. Maar ze vindt hem steeds terug en weet hem telkens opnieuw te betoveren.
De boeddhistische monnik Fahai van de Jinshantempel ziet vaak een aura, een zwarte wolk rond Xu Xuan: dit geeft aan dat hij bezeten is of verleid wordt door een demon (de Witte Slang). Fahai waarschuwt Xu Xuan dat zijn vrouw zijn levensenergie aftapt en dat hij in levensgevaar is. De kruidendokter is doodsbang en zoekt bescherming bij Fahai om zich van de slang te bevrijden. Fahai geeft hem een aalmoeskom en zegt hem die op het hoofd van zijn vrouw te drukken.
Xu Xuan komt de kamer van zijn vrouw stiekem binnen, drukt razendsnel de kom op haar hoofd en drukt hem sterk neerwaarts waardoor ze volledig onder de kom verdwijnt. Kort daarop komt Fahai de kamer binnen, reciteert magische formules, heft de kom wat op en ontdekt een minivrouwtje met gesloten ogen. Bai Niangzi geeft de monnik toe dat ze een grote slang is en dat ze op Xu Xuan gevallen is bij het Westmeer.
Ze geeft ook toe dat ze de hemelse wetten heeft overtreden en smeekt om vergiffenis.
Fahai is onvermurwbaar: hij laat Xiao Qing (de groene slang) komen en  doet de twee geesten naar hun primitieve slangenvorm terugkeren. Hij kort hun lengte in, steekt de twee slangetjes in een kom en begraaft de kom vóór de Leifengtempel.
Xu Xuan vergaart aalmoezen en besteedt het geld aan de oprichting van een pagode van zeven verdiepingen om de witte en de groene slang voorgoed te begraven.
Xu Xuan wordt monnik in de Leifeng tempel en een volgeling van Fahai.
Bij zijn overlijden enkele jaren later wordt een grafpagode voor hem gebouwd.
Ze bestaat nog steeds.